| 1
| Hij, die op Gods bescherming wacht, |
| Wordt door den hoogsten Koning, |
| Beveiligd in den duistren nacht, |
| Beschaduwd in Gods woning. |
| Dies noem ik God, zo goed als groot |
| Voor hen, die op Hem bouwen, |
| Mijn burg, mijn toevlucht in den nood, |
| Den God van mijn betrouwen. |
| 2
| Hij zal uit 's vogelvangers net |
| U veilig doen ontkomen. |
| Hij is het, die uw leven redt; |
| Gij hebt geen pest te schromen. |
| Hij zal, in lijfs- en zielsgevaar, |
| U met Zijn vleuglen dekken; |
| Zijn waarheid u ten beukelaar, |
| En ten rondas verstrekken. |
| 4
| Gij zult aan d' een en d' andre hand, |
| Tienduizenden zien vallen; |
| Terwijl gij, in gerusten stand, |
| Bewaakt blijft boven allen. |
| Het dreigend leed vliegt u voorbij; |
| Alleenlijk zien uw ogen, |
| Hoe schrikklijk 't loon der bozen zij, |
| Die d' Almacht niet verhogen. |
| 5
| Ik steun op God, mijn toeverlaat, |
| Dies heb ik niets te vrezen: |
| Wie God vertrouwt, die deert geen kwaad; |
| Uw tent zal veilig wezen. |
| Hij zal Zijn engelen gebien, |
| Dat z' u op weg bevrijden; |
| Gij zult hen, in gevaren, zien |
| Voor uw behoudnis strijden. |
| 6
| Zij zullen u, Gods gunstgenoot, |
| Naar 's Hoogsten welbehagen, |
| Opdat gij aan geen steen u stoot, |
| Op hunne handen dragen. |
| Gij zult op jonge leeuwen treen, |
| Op giftig' adders stappen, |
| En door gevaar noch vrees bestreen, |
| Den leeuw en draak vertrappen. |
| 7
| "Dewijl zijn ziel Mij teer bemint," |
| Dus laat God Zelf Zich horen, |
| "Heb Ik voor hem, als voor Mijn vrind, |
| Een heilrijk lot beschoren; |
| Omdat hij Mijnen Naam erkent, |
| Zal hem Mijn gunst verzellen; |
| Ik zal hem redden uit d' ellend' |
| En op een hoogte stellen." |