| 2
| "Ik heb", dit was Uw taal, "een vast verbond gemaakt |
| Met Mijnen gunsteling, dien steeds Mijn oog bewaakt. |
| Ik heb aan Mijnen knecht, aan Mijnen uitverkoren', |
| Aan David in Mijn gunst, met enen eed gezworen: |
| Ik zal van kind tot kind, tot aan het eind der dagen, |
| Uw zaad bevestigen, en uwen rijkstroon schragen." |
| 3
| De hemel looft, o HEER', Uw wondren dag en nacht, |
| Uw waarheid wordt op aard' de glorie toegebracht; |
| Daar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen; |
| Want wie is U gelijk bij al de hemellingen? |
| En, welke vorsten ooit het aardrijk moog' bevatten, |
| Wie hunner is, o HEER', met U gelijk te schatten? |
| 4
| God is op 't hoogst geducht in Zijner heilgen raad' |
| En vreeslijk boven 't heir, dat om Zijn rijkstroon staat. |
| Wie is als Gij, o HEER', o God der legerscharen, |
| Wie is aan U gelijk? Wie kan U evenaren ? |
| Grootmachtig zijt G' ,o HEER', ja eindloos in vermogen, |
| Uw onverbreekbre trouw omringt U voor elks ogen. |
| 5
| Gij temt de woeste zee, zij luistert naar Uw wil; |
| Hoe hoog zij zich verheff', Gij wenkt en zij is stil. |
| Gans Rahab is door U verbrijzeld, gans verslagen; |
| Uw vijand is verstrooid, Uw arm heeft roem gedragen. |
| En aard', en hemel, en wat leeft of ooit zal leven, |
| Zijn d' Uwe; 't gans heelal hebt Gij 't bestaan gegeven. |
| 8
| Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht; |
| Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht; |
| Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen |
| Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen, |
| Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven, |
| En onze Koning is van Isrels God gegeven. |
| 9
| Gij hebt weleer van hem, dien Gij geheiligd hadt, |
| Gezegd in een gezicht, dat zoveel troost bevat: |
| "Ik heb bij enen held voor Isrel hulp beschoren, |
| Hem uit het volk verhoogd; hem had Ik uitverkoren; |
| 'k Heb David, Mijnen knecht, Mijn gunsteling gevonden |
| En hem met heilge zalf aan Mij en 't rijk verbonden." |
| 10
| "Mijn hand zal, hoe 't ook ga, hem sterken dag en nacht; |
| Mijn arm zal hem in nood voorzien van moed en kracht; |
| De vijand zal hem nooit door wreevle handelingen, |
| Door list, of hels bedrog in uiterst' engten dringen; |
| Den booswicht zal 't geweld nooit tegen hem gelukken, |
| Noch in- noch uitlands vorst zijn zetel onderdrukken." |
| 11
| "Ik zal integendeel, al wie hem wederstaat |
| Verplettren voor zijn oog, en plagen, wie hem haat. |
| Mijn trouw zal met hem zijn, Mijn goedheid hem geleiden, |
| Zijn macht zal in Mijn Naam zich over d' aard' verspreiden; |
| Zijn hand de grote zee, zijn schepter de rivieren, |
| Door Mijn geducht bestel, met roem en eer bestieren." |
| 12
| "Gij," zal hij zeggen, "zijt mijn Vader en mijn God, |
| De rotssteen van mijn heil" "'k Zal hem ook stellen tot |
| Een eerstgeboren zoon, door al zijn broeders t' eren. |
| Als koning zal hij zelf de koningen regeren; |
| Mijn goedertierenheid zijn rijkstroon eeuwig stijven, |
| En Mijn gemaakt verbond met hem bestendig blijven." |
| 14
| "Dan zal Ik hen, die dwaas of wreevlig overtreen, |
| Bezoeken met de roe en bittre tegenheen; |
| Doch over hem Mijn gunst en goedheid nooit doen enden. |
| Niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden. |
| 'k Zal nooit herroepen 't geen Ik eenmaal heb gesproken, |
| 't Geen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken." |
| 16
| Maar ach, mijn God, waar blijkt Uw trouw nu, waar Uw eer? |
| Gij stoot en werpt, vergramd, thans uw Gezalfde neer. |
| Gij schijnt niet van 't verbond met Uwen knecht te weten, |
| Zijn kroon, ontheiligd, ligt ter aarde neergesmeten; |
| Zijn sterke muren zijn door 's vijands macht verbroken, |
| Zijn vestingen verwoest en in het stof gedoken. |
| 17
| Hij is door elk beroofd, den nabuur tot een smaad. |
| Gij hebt de rechterhand verhoogd van die hem haat; |
| Gij deedt den vijand in zijn rampspoed zich verblijden; |
| Zijn zwaard ligt om, 't is stomp, en nutteloos in 't |
| strijden; |
| Gij doet hem, vol van schrik, van 't bloedig slagveld |
| vluchten |
| En onder 's vijands juk, van U verlaten, zuchten. |
| 18
| Zijn schoonheid is vergaan; zijn troon ligt neergestort; |
| De dagen zijner jeugd zijn door Uw hand verkort, |
| Met schaamt' is hij bedekt, elk kan hem straffloos tergen? |
| Hoe lang, getrouwe God, zult Gij U steeds verbergen? |
| Zal dan Uw grimmigheid, die niemand af kan keren, |
| Gelijk een brandend vuur, 't verdrukte volk verteren? |
| 19
| Gedenk, o HEER', hoe zwak ik ben, hoe kort van duur. |
| Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur; |
| Zou 't mensdom dan vergeefs op aarde zijn geschapen? |
| Wie leeft er, die den slaap des doods niet eens zal slapen? |
| Wie redt zijn ziel van 't graf? Ai, help ons, als tevoren, |
| Gelijk Gij bij Uw trouw aan David hebt gezworen. |
| 20
| Gedenk den smaad, dien elk van Uwe knechten lijdt, |
| Waarmee elk machtig volk mijn bang gemoed doorsnijdt; |
| Den smaad, o HEER', waarmee Uw haters ons beladen, |
| Waarmede zij den gang van Uw Gezalfde smaden. |
| Gij immers wilt of zult nooit onze hoop beschamen; |
| Den HEER' zij eeuwig lof en elk zegg': "Amen, Amen!" |