| 1
| Neem, o mijn volk, neem mijne leer ter oren; |
| Neig oor en hart, om naar mijn stem te horen; |
| 'k Zal met mijn mond u wijze spreuken leren, |
| Verborgenheen, van ouds af waardig t' eren. |
| Mij vloeit een schat van wijsheid uit den mond, |
| Gelijk een bron, die voortspringt uit den grond. |
| 2
| Verborgenheen, met diep ontzag te melden, |
| Die ons voorheen de vaderen vertelden, |
| Die wij, hun kroost, ook niet verbergen mogen, |
| Die stellen wij het nageslacht voor ogen; |
| Des HEEREN lof uit 's lands historieblaan, |
| Zijn sterken arm en grote wonderdaan. |
| 3
| Want God heeft Zijn getuigenis gegeven |
| Aan Jakobs huis; een wet, om naar te leven, |
| Die Israel zijn nageslacht moet leren, |
| Opdat men nooit haar kennis moog' ontberen; |
| God vordert, dat de naneef, eeuwen lang, |
| Van kind tot kind, dit onderwijs ontvang'. |
| 4
| Opdat z' op God hun hope stellen zouden, |
| In 't oog Zijn daan, in 't hart Zijn wetten houden, |
| En nimmermeer weerspannig God verachten, |
| Verdraaid en krom, als vorige geslachten, |
| Wier hart niet was gericht naar Zijn gebod, |
| Wier geest niet was getrouw met hunnen God. |
| 9
| Maar schoon zij dus Gods goedheid ondervonden, |
| Nog pleegden z' in 't vervolg de snoodste zonden; |
| In 't woest gewest uit vetter land getogen, |
| Vergramden zij des Allerhoogsten ogen; |
| Verzochten God, en eisten, ten bewijs |
| Van Zijne macht, naar hunne lusten, spijs. |
| 12
| Daar God, voor hen bezorgd, in hunne noden |
| De wolken zelfs van boven had geboden, |
| De hemeldeur ontsloten, mild in 't zeegnen, |
| En 't manna doen rondom hun tenten reegnen; |
| Opdat Zijn volk, ten blijk van Zijne trouw, |
| Dit hemelkoorn op reis genieten zou. |
| 13
| Elk mocht zijn brood, zo mild hem toegemeten, |
| Dat wonderbrood der Machtigen, nu eten; |
| Den teerkost, tot verzading hun gegeven |
| Een oostenwind werd door Hem voortgedreven, |
| En 't zuiden gaf, in 't aangevoerde zwerk, |
| Geen minder blijk van Zijn krachtdadig werk: |
| 14
| Toen daalde 't vlees, als stof en dichte regen, |
| Een grote vlucht van vooglen, neergezegen; |
| In menigte gelijk aan 't zand der stranden, |
| Viel toen vanzelf hun rijkelijk in handen; |
| Viel, op Gods wenk, rondom elks woning neer, |
| En spijsde 't heir van Isrels Opperheer. |
| 15
| Toen aten zij, en werden zat van eten; |
| Hun eetlust werd voldaan, hoe godvergeten; |
| Maar eer hun drift en tomeloos begeren, |
| Waarmee dat volk Gods almacht dorst onteren, |
| Verzadigd was, ziedaar de straf terstond, |
| Terwijl de spijs nog was in hunnen mond; |
| 16
| Ziedaar Gods toorn, gelijk een vuur, ontstoken; |
| Zijn eer werd op hun machtigsten gewroken, |
| Daar plaag op plaag geweldig nedervelden |
| 't Aanzienlijkst deel, het puik van Isrels helden, |
| Maar 't volk ging voort, hun ongeloof hield aan; |
| God had vergeefs Zijn wonderen gedaan. |
| 17
| Daarom deed Hij in ijdelheid hun dagen |
| Vergaan, en, door een reeks van felle plagen, |
| In schrik en angst hen slijten hunne jaren. |
| Maar bracht Hij hen opnieuw in doodsgevaren, |
| Dan vraagden zij naar God, en keerden weer, |
| En zochten vroeg, uit bange vrees, den HEER'. |
| 22
| Hoe Hij Zijn oog op hen had neergeslagen, |
| Egypte van Zijn tekenen deed wagen, |
| En Zoans veld, daar Hij hen af wou zondren; |
| Een streng toneel deed worden van Zijn wondren; |
| Waar poel en beek, en groot' en kleine vloed, |
| Ondrinkbaar werd, en niets dan walglijk bloed. |
| 23
| Hij zond een heir, door niemands hand te weren, |
| Veel ongediert', om alles te verteren; |
| Zijn grote kracht deed vorsen uit de stromen, |
| Tot wis bederf van gans Egypte, komen; |
| Hij gaf 't gewas, met vlijt gekweekt, en 't kruid |
| Den kruidworm en den sprinkhaan tot een buit. |
| 27
| Ja, zonder vrees mocht Isrel veilig trekken; |
| Het zag de zee zijn haatren overdekken; |
| Want God, hun God, bracht hen, bevrijd van banden, |
| Naar 't land, door Hem geheiligd uit de landen, |
| Tot dezen berg, dien Zijne hand verkreeg, |
| En die daarna ten hoogsten luister steeg. |
| 30
| Dit hoorde God, en heeft, op 't felst ontstoken, |
| Dit boos bestaan op Israel gewroken, |
| Dat volk versmaad met beelden en altaren; |
| Dies liet Hij tent en tabernakel varen, |
| Die Hij zich daar ter woning had gesticht, |
| En tot Zijn eer te Silo opgericht. |
| 31
| Het onderpand van 't heerlijk alvermogen, |
| Zijn heilig' ark, gaf Hij, voor Isrels ogen, |
| Den Filistijn in d' ongewijde handen; |
| Zijn volk ten zwaard', of in de slaafse banden. |
| Gods Majesteit, getergd, zag van omhoog |
| Zijn erfnis aan, met een verbolgen oog. |
| 32
| Het vuur verslond de strijdbre jongelingen, |
| Der maagden lof vergat men op te zingen; |
| Hun priesterschap, hoe hoog door God verheven, |
| Werd, laag verneerd, aan 't zwaard ten prooi gegeven; |
| En d' arme weeuw bezweek van zielsverdriet, |
| Of zat door schrik verstomd, en weende niet. |
| 33
| Toen stond God op met gunstige gedachten, |
| Als na een slaap ontwaakt met nieuwe krachten; |
| Ja, als een held, ontzagglijk in zijn gangen, |
| Die nieuwen moed heeft door den wijn ontvangen; |
| En sloeg tot smaad, met Zijn geduchte hand, |
| Het uiterst, deel van 's vijands ingewand. |
| 35
| Daar bouwde Hij als hoogten Zijne muren, |
| Zijn heiligdom, dat d' eeuwen zou verduren; |
| Gelijk deez' aard', gegrond door Zijne krachten, |
| In eeuwigheid geen wanklen heeft te wachten, |
| Held David, dien Hij van de schaapskooi nam, |
| Verkoos Hij zich tot vorst uit Judas stam. |
| 36
| Hij deed Zijn knecht van achter 't vee zich spoeden, |
| Om Jakobs zaad, Zijn dierbaar volk, te hoeden, |
| Zijn Israel, ten erfdeel Hem verkregen, |
| Dus heeft die vorst geheerst met roem en zegen, |
| Gods volk oprecht en met verstand geweid, |
| En 't rijk beschermd door dapper krijgsbeleid. |