| 1
| O HEER', mijn God, volzalig Wezen, |
| 'k Betrouw op U, wien zou ik vrezen? |
| Red mij hulpvaardig uit den nood, |
| Eer mij mijn vijand breng' ter dood. |
| Geef mij ten roof niet in zijn handen, |
| Die mij, met felle leeuwentanden, |
| Verscheuren zou door wond op wond, |
| Wanneer ik geen verlosser vond. |
| 2
| Mijn God, zo 'k immer hebb' bedreven, |
| Het boze stuk, mij aangewreven, |
| 't Onkreukbaar recht ooit hebb' gefnuikt, |
| En een oneven schaal gebruikt; |
| Of kwaad voor goed hebb' toegewogen; |
| En mijnen vreegenoot bedrogen; |
| Hem heb ik zelfs 't gevaar ontrukt, |
| Die mij ten onrecht' had verdrukt. |
| 3
| Zo moet mijn vijand op de hielen, |
| Mij volgen, ja geheel vernielen, |
| Hij roov' mijn leven en mijn eer, |
| En werp' mijn kroon ter aarde neer. |
| Sta op, o HEER', wil mij behoeden, |
| Uw gramschap straff', mijns vijands woeden, |
| Ontwaak voor mij, en keer 't geweld; |
| 't Gericht hebt Gij zelf ingesteld. |
| 4
| Zo zullen zich gehele scharen, |
| Van volkren om U heen vergaren |
| Beklim dan, boven dit gewoel, |
| Uw hemeltroon, Uw rechterstoel, |
| De HEER' zal al de volken richten, |
| En 't onrecht voor het recht doen zwichten; |
| Geef dan, o HEER', dat voor elks oog, |
| Mijn recht en vroomheid blijken moog'. |
| 5
| Laat toeh het kwaad der goddelozen |
| Een einde nemen, straf de bozen. |
| Maar sterk Uw volk, dat hulp behoeft, |
| Gij, die elks hart en nieren proeft, |
| Laat vrij voor U mijn vijand vrezen, |
| Voor U, rechtvaardig Opperwezen; |
| Bij U, mijn Bondgod, is mijn schild, |
| Die 't vroom gemoed behouden wilt. |
| 6
| God, die op 't recht Zijn troon wil stichten, |
| God is rechtvaardig in Zijn richten. |
| En toont Zijn gramschap dag aan dag. |
| Bestrijdt de mens Zijn hoog gezag, |
| Blijft hij zich tegen Hem verzetten; |
| God zal Zijn glinstrend wraakzwaard wetten; |
| Hij kromt en spant alree Zijn boog; |
| En dreigt met pijlen van omhoog. |
| 7
| God heeft de waapnen aangegrepen, |
| Tot 's vijands wissen dood geslepen; |
| Hij legt de pijlen op hem aan. |
| Wie hittig woedt, zal niet bestaan; |
| De boze wringt en kromt de leden, |
| ln arbeid van onzinnigheden. |
| Hij gaat van dwaze moeite zwaar; |
| Verwacht dan, dat hij leugen baar'. |
| 8
| Hij heeft een diepen kuil doen delven, |
| Maar 't was, bij d' uitkomst, voor zichzelven. |
| Schoon hij, met zoveel loos beleid, |
| Dien had tot mijn verderf bereid. |
| De moeite, die hij dorst verwekken, |
| Zal zijnen kop eerlang bedekken. |
| En zijnen schedel al 't geweld, |
| Waarmee hij andren had gekweld. |