| 1
| O God, verlos en red mij uit den nood; |
| De waatren zijn tot aan de ziel gekomen; |
| Ik zink in 't slijk; ik voel mij overstromen; |
| Ik ga te grond' ; de vloed is mij te groot; |
| Ik roep mij moe in dezen jammerstaat. |
| Mijn keel is hees, zij is van droogt' ontsteken; |
| En daar ik hoop op God, mijn toeverlaat, |
| Schrei ik mij blind; mijn ogen zijn bezweken. |
| 2
| Men telt veeleer de haren van mijn hoofd, |
| Dan hen, die mij, doch zonder oorzaak, haten; |
| Men zoekt mijn dood; geen onschuld kan mij baten; |
| Hen zie ik sterk, maar mij van kracht beroofd; |
| Men eist van mij, daar ik m' onschuldig ken, |
| 't Geroofde weer; 'k moet voor voldoening zorgen. |
| Gij weet, o God, hoever ik strafbaar ben; |
| U is mijn schuld, mijn dwaasheid, niet verborgen. |
| 3
| Beschaam door mij de stille hope niet |
| Van hen, die U, o HEER' der legerscharen, |
| Verwachten; laat geen schande wedervaren |
| Aan hen, die U steeds zoeken in verdriet. |
| Met mij verging hun hoop, o Isrels God, |
| Daar ik mijn smaad om uwentwil moet dragen. |
| Mijn aanschijn is bedekt met schand' en spot; |
| Helaas, wat heb ik stof tot bitter klagen |
| 4
| Mijn broedren ben ik vreemd, door elk onteerd, |
| En onbekend den zonen mijner moeder. |
| 'k Vind onder hen noch schutsheer noch behoeder; |
| Want d' ijver van Uw huis heeft mij verteerd. |
| Ik draag den schimp, den smaad en overlast |
| Dergenen, die, alziende God, U smaden; |
| Ik heb geweend, mijn ziel heeft steeds gevast, |
| Maar 'k word te meer met smaadheid overladen. |
| 5
| Ik heb mijn vlees met enen zak bekleed, |
| Maar hoor mijn naam ten spot en spreekwoord maken. |
| De rechters zelfs doen niet dan klappen, laken. |
| 'k Ben 't snarenpel van dronkaards in mijn leed; |
| Maar, HEER', tot U, tot U is mijn gebed; |
| Daar is, o God, een tijd van welbehagen, |
| Een tijd van gunst, te mijner hulp gezet; |
| Hoor, naar Uw trouw en heilwoord, dan mijn klagen. |
| 6
| Ruk door Uw macht, mij uit het slijk; behoed, |
| En laat mij niet verzinken in de waatren; |
| Maar red mij uit de handen mijner haatren, |
| Uit dezen kolk en diepen watervloed. |
| Och, laat den stroom mij over 't hoofd niet gaan, |
| Maar dat Uw arm 't geweld der diepte stuite; |
| Dat toch de put niet worde toegedaan, |
| Noch over mij zijn mond voor eeuwig sluite. |
| 7
| Hoor mij, o HEER', Uw goedertierenheid |
| Is goed; zie mij dan aan met gunstig' ogen, |
| Hoe teer, hoe groot is mij Uw mededogen! |
| Verhoor Uw knecht, die hete tranen schreit, |
| Verberg voor hem Uw aangezicht toch niet; |
| Want ik bezwijk door angst en tegenheden. |
| Ai, haast U mij ter hulp in mijn verdriet; |
| De nood klimt hoog; verhoor mijn smeekgebeden. |
| 8
| Genaak, genaak in gunste tot mijn ziel; |
| Bevrijd haar; laat de bozen, die mij haten, |
| Vijandig zijn, en alle deugd verlaten, |
| Nooit roemen, dat ik in hun handen viel. |
| Gij weet, wat schaamt' en smaad mij treff', o God, |
| Daar niemand zich mijn onheil aan wil trekken; |
| Hoe schandlijk ik der boosheid strekk' ten spot; |
| Gij kent hen, die mij dezen angst verwekken. |
| 9
| Versmaadheid breekt en scheurt mij 't hart vaneen; |
| Ik ben zeer zwak; de lasteringen snijden |
| Mij door de ziel; ik wacht naar medelijden, |
| Naar troosters, maar, helaas, ik vind er geen. |
| Ja, grote God, zij hebben mij, tot spijs, |
| Bij al mijn smart nog bittre gal gegeven; |
| Een edikteug is zelfs een gunstbewijs, |
| Wanneer de dorst mijn lippen saam doet kleven. |
| 10
| Hun tafel word', o God, hun tot een strik, |
| Een valstrik, waar zij straks in blijven hangen, |
| En vollen loon van al hun kwaad ontvangen. |
| Vervloek hun spijs; dat niets hun ziel verkwikk'; |
| Verblind hun geest; verduister hun verstand; |
| Verdonker hun gezicht; bewolk hun ogen; |
| Verbreek hun kracht door Uw getergde hand; |
| Dat rusteloos hun lendnen wagglen mogen. |
| 11
| Stort over hen Uw gramschap uit; vertoon |
| Uw heten toorn; grijp aan hen, die U haten; |
| Dat hun paleis verwoest zij en verlaten; |
| Dat niemand meer in hunne tenten woon'; |
| Want dit geslacht, dat zich in 't kwaad verheugt, |
| Vervolgt dien Gij verwond hebt en geslagen; |
| Zijn smart strekt hun tot tijdverdrijf en vreugd, |
| Zij doen van praat en schimp schier alles wagen. |
| 12
| Doe misdaan toe tot al hun euveldaan, |
| Laat hen tot Uw gerechtigheid niet komen; |
| Maar delg hen uit het levensboek der vromen; |
| Schrijf hen met Uw rechtvaardig volk niet aan. |
| Maar ik, ik ben ellendig en vol smart; |
| Uw heil, o God, voer' m' in een hoge woning. |
| Dan zing ik blij en uit een dankbaar hart, |
| Den groten Naam van mijnen God en Koning. |
| 13
| Dat zal den HEER' veel aangenamer zijn |
| Dan os of var, die hunnen klauw verdelen. |
| De blijdschap zal het hart der vromen strelen, |
| Als zij mij zien, verlost van smart en pijn, |
| Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet, |
| Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven; |
| Nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet, |
| Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven. |
| 14
| Gij, hemel, aard' en zee, vermeldt Gods lof; |
| Laat al wat leeft Zijn trouw en goedheid prijzen; |
| Want God zal aan Zijn Sion hulp bewijzen, |
| En Judas steen herbouwen uit het stof. |
| Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad, |
| God eeuwig hun Zijn volle gunst betonen; |
| Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad, |
| Zij, die Zijn Naam beminnen, erf'lijk wonen. |