| 2
| Maar word' ik ooit met bange vrees belaan, |
| Dan zal op U mijn vast betrouwen staan. |
| Ik prijs in God Zijn woord; ik steun voortaan |
| Op Hem; zou vlees mij deren? |
| Ik vrees hen niet, die mijne smart vermeren; |
| Mij, dag op dag, door lastertaal onteren |
| Mijn woorden in een valsen zin verkeren; |
| Arglistig mij verraan. |
| 3
| Zij rotten saam, en houden bozen raad, |
| Terwijl mij elk in 't heimlijk gadeslaat, |
| Mijn schreden volgt, en mij naar 't leven staat; |
| Door ramp noch klacht bewogen. |
| Zoudt Gij, o God, nog met Uw heilig' ogen, |
| Hun boosheid zien, en straffeloos gedogen? |
| Neen: stort hen neer door Uw geducht vermogen. |
| Uw gramschap straff' hun kwaad. |
| 4
| Gij weet, o God, hoe 'k zwerven moet op aard'; |
| Mijn tranen hebt G' in Uwe fles vergaard. |
| Is hun getal niet in Uw boek bewaard, |
| Niet op Uw rol geschreven? |
| Gewis, dan zal mijn wreevle vijand beven, |
| En, als ik roep, straks rugwaarts zijn gedreven. |
| Dit weet ik vast; God zal mij nooit begeven; |
| Niets maakt mijn ziel vervaard. |
| 5
| Ik roem in God; ik prijs 't onfeilbaar woord; |
| Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord. |
| 'k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord; |
| Wat stervling zou mij schenden? |
| Ik heb beloofd, wanneer G' in mijn ellenden |
| Mij bijstand boodt, en 't onheil af zoudt wenden; |
| Tot U, o God, mijn lofzang op te zenden, |
| Door ijver aangespoord. |
| 6
| Gij hebt mijn ziel beveiligd voor den dood; |
| Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot; |
| Gij zijt voor mij een schild in allen nood; |
| Gij hebt mijn smart verdreven. |
| Uw dierbre gunst is m' altoos bijgebleven. |
| 'k Zal, voor Gods oog, naar Zijn bevelen leven. |
| Zo word' door mij Zijn Naam altoos verheven; |
| Zo word' Zijn lof vergroot. |