| 1
| O God, verlos mij uit den nood, |
| En red door Uwen Naam mijn leven: |
| Mijn richtzaak zij aan U verbleven; |
| Och, of Uw arm mij bijstand bood! |
| O God, sla acht op mijn gebed, |
| Neig tot mijn rede gunstig d' oren, |
| En wil mijn bittre klacht verhoren, |
| Zo word' ik uit den angst gered. |
| 2
| Want vreemden steken 't hoofd omhoog |
| Tot mijn verderf; ik zie tirannen, |
| Om mij te doden, samenspannen; |
| Zij stellen God zich niet voor 't oog. |
| Zie, God, die nimmer mij vergeet, |
| Is mij een helper in mijn lijden. |
| Hij voert hen aan, die voor mij strijden, |
| En ondersteunt mij in mijn leed. |
| 3
| Hij zal dit kwaad, dit boos bestaan, |
| Aan mijn verspiederen vergelden. |
| Roei uit, die tegen mij zich stelden; |
| Het gaat Uw trouw en waarheid aan. |
| lk zal U, met een blij gemoed |
| Vrijwillig offren, HEER' der heren. |
| lk zal Uw Naam met lofzang eren; |
| Dit eist Uw Naam, want hij is goed. |