| 2
| De HEER' zal hem, op 't ziekbed neergestort, |
| Versterken door Zijn kracht; |
| Gij maakt, dat zelfs zijn ganse leger wordt, |
| Veranderd door Uw macht. |
| Ik heb tot God geroepen om gena; |
| 'k Zei in mijn angst en leed: |
| "Genees mij, HEER', die bij U schuldig sta, |
| En tegen U misdeed." |
| 3
| In plaats van troost, vervolgt mij 's vijands blaam. |
| Zij zeggen tot elkaar: |
| "Waar blijft zijn dood, wanneer vergaat zijn naam?" |
| Komt iemand van die schaar, |
| Om mij te zien, dan spreekt hij vals, en smeedt |
| Mij kwaad, zoveel hij kan; |
| Als hij terug van mij naar buiten treedt, |
| Spreekt hij er andren van. |
| 5
| Zelfs hij, op wien ik heb vertrouwd, |
| Mijn vree en disgenoot, |
| Verhief zijn hiel, en sloeg mij fier en stout, |
| Terwijl hij at mijn brood. |
| Maar Gij, o HEER', schiet tot mijn hulpe toe; |
| Bewijs gena, en red, |
| En richt mij op; dat ik vergelding doe, |
| En d' ontrouw palen zett'. |
| 6
| Ik ken Uw gunst, ik ken Uw trouw hieraan, |
| Dat zich mijn vijand niet |
| Beroemen zal, noch ik te gronde gaan; |
| Wijl Gij mij bijstand biedt, |
| Mij onderhoudt in mijn oprechtigheid, |
| En, voor Uw aangezicht, |
| Met teedre zorg en trouwe hulp geleidt |
| Naar 't eeuwig zalig licht. |