| 2
| Ik vrees niet, neen, schoon ik door duistre dalen, |
| In doodsgevaar bekommerd om moest dwalen. |
| Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden; |
| Uw stok en staf zal mij altoos behoeden. |
| Gij troost mijn ziel, en richt, in mededogen, |
| De tafel aan, voor mijner haatren ogen. |
| 3
| Gij zalft mijn hoofd, Gij doet mijn blijdschap groeien, |
| En van Uw heil mijn beker overvloeien, |
| Het zalig goed, mij door Uw gunst gegeven, |
| Verlaat mij niet, maar volgt mij al mijn leven. |
| Zodat ik in het heilig huis des HEEREN, |
| Een lange reeks van dagen, blijf verkeren. |