| 1
| 'k Betrouw op God, Hij is mijn schild in 't strijden, |
| De hoorn mijns heils, mijn hoog vertrek in lijden, |
| 'k Aanriep den HEER', Wiens lof mijn harp vermeldt, |
| En werd verlost van 's vijands boos geweld, |
| De dood bracht mij, geboeid, in nare streken, |
| Bij Belials verschrikkelijke beken. |
| Een helse band was om mijn heup gehecht, |
| En door den dood mij strik op strik gelegd. |
| 2
| 'k Riep tot den HEER', in 't midden dier ellenden, |
| Tot mijnen God, opdat Hij hulp zou zenden. |
| Mijn klaagstem drong tot in Zijn troonzaal door, |
| Aan mijn geroep gaf Hij in gunst gehoor. |
| Toen beefde d' aard', al golvend als de baren; |
| Het hoogst gebergt' werd op zijn grondpilaren; |
| Beroerd, geschokt, gerukt uit zijn gewricht, |
| Door 't vreeslijk vuur van Gods ontvlamd gezicht. |
| 3
| Een dikke rook ging op, waar Hij Zich keerde, |
| Uit Zijnen neus; het vuur Zijns monds verteerde; |
| Stak kolen aan, en wat Hem tegenstond. |
| Hij boog het zwerk, en daalde neer; de grond |
| Waarop Hij trad, was, in het oog der volken, |
| Gans zwart door dicht opeengepakte wolken. |
| Zijn wagen was een Cherub, ja gezwind |
| Voer Hij en vloog op vleuglen van den wind. |
| 4
| In Zijne tent, rondom Hem zo vol luister, |
| Hield Hij Zich schuil, verborg Zich in het duister; |
| Door wolk op wolk, met kracht te zaam geprest, |
| En opgehoopt in 't bruine luchtgewest. |
| Zijn gloed ontbond der wolken vaste banden, |
| Toen daalde vuur en hagel op de landen. |
| De donder klonk door gans den hemel heen: |
| God gaf Zijn stem, en 't vuur viel naar beneen. |
| 5
| Hij deed vol kracht hen voor Zijn pijlen zwichten, |
| Verschrikte hen door bliksemschicht op schichten, |
| De diepste kolk droogd' op een ogenblik, |
| en 't hart der aard' ontblootte zich van schrik, |
| Wanneer Gij scholdt, Uw adem, fel ontstoken, |
| Deed dus, o HEER', en land en water roken. |
| Hij zond mij hulp, Hij nam mij, op mijn bee, |
| En trok mij uit een grote jammerzee. |
| 6
| Ik werd verlost van 's vijands legerscharen, |
| En 's haters hand, wijl zij te machtig waren. |
| Men viel mij aan ten dage van mijn smart, |
| Maar toen was God het steunsel van mijn hart. |
| Hij trok mij uit, en bracht m' in ruimer wegen. |
| Want Hij had lust aan mij, Zijn knecht, gekregen. |
| De HEER' vergold mijn onschuld naar het recht, |
| En schonk mij 't loon, den reinen toegezegd. |
| 7
| Want 's HEEREN weg heb ik getrouw bewandeld, |
| En niet goddloos met mijnen God gehandeld. |
| Ik hield gestaag Zijn rechten in het oog, |
| Terwijl Zijn wet mijn ziel tot deugd bewoog. |
| Ik werd oprecht en vroom bij Hem bevonden, |
| Ik wachtte mij zorgvuldig van mijn zonden. |
| Dies liet mij God ook naar mijn recht geschien, |
| En heeft in gunst mijn onschuld aangezien. |
| 8
| Hun zijt Gij goed, die goedertieren handlen; |
| Oprecht bij hen, die in oprechtheid wandlen. |
| Gij houdt U rein bij hen, die rein zijn, maar |
| Verkeerden toont Gij U een worstelaar. |
| Want Gij verlost het volk, door druk gebogen, |
| Maar werpt ter neer, die groot zijn in hun ogen. |
| Door U, o HEER', geeft mijne lamp haar licht. |
| Mijn God verdrijft den nacht uit mijn gezicht. |
| 9
| Ik kan met U door sterke benden dringen; |
| Met mijnen God zelfs over muren springen. |
| Des HEEREN weg is gans volmaakt en recht, |
| Doorlouterd, rein en trouw al wat Hij zegt. |
| Hij is een schild en schutsheer voor den vrome, |
| Voor wie tot Hem de toevlucht heeft genomen, |
| Wie is een God, als Hij, in tegenheen? |
| Wie is een rots, dan onze God alleen? |
| 10
| 't Is God, die mij met sterkte wil omgorden; |
| Hij doet mijn weg volkomen effen worden. |
| Maakt, dat mijn voet als die der hinden snelt, |
| Terwijl Hij mij op mijne hoogten stelt, |
| Hij leert mijn hand heldhaftig orelogen. |
| Mijn strijdbaar' arm verbreekt zelfs stalen bogen, |
| Mij gaaft G' Uw schild, Uw hand heeft mij gesterkt. |
| Uw goedheid heeft mijn grootheid uitgewerkt. |
| 11
| Mijn voet hebt Gij doen in de ruimte treden; |
| Mijn gang werd vast, ik ben niet uitgegleden. |
| De vijand week; ik volgd', en trof hem aan, |
| En keerde niet, tot ik hem had verdaan. |
| Mijn spies doorstak al wie mij tegenstonden, |
| Zodat zij zich niet meer herstellen konden. |
| Dus zag ik door Uw bijstand hen verplet, |
| En mijnen voet hun op den nek gezet. |
| 12
| Gij hebt mij, HEER', met kracht omgord tot strijden. |
| Mijn vijand moest, vernederd, straffen lijden. |
| Hij vlood vol schrik, wijl hij geen kracht behield; |
| Mijn hater werd door mijne hand vernield. |
| Zij riepen wel, maar zonder hulp te krijgen. |
| Zelfs tot den HEER', maar Hij vond goed te zwijgen, |
| Toen heb ik hen als stof vergruisd, verjaagd, |
| En als het slijk der straten weggevaagd. |
| 13
| Gij hebt mij uit den twist des volks verheven, |
| En tot een hoofd den heidenen gegeven. |
| Ik stelde 't volk, mij onbekend, de wet; |
| Zo ras ik sprak, werd op mijn wil gelet. |
| De vreemde zelfs zag mij vol schrik naar d' ogen, |
| Lag voor mijn troon geveinsd'lijk neergebogen. |
| Zij vielen neer, zij sidderden van schrik, |
| In burg en slot, op ieder ogenblik. |
| 14
| Zo leeft de HEER', mijn rotssteen zij geprezen; |
| De God mijns heils moet steeds verheerlijkt wezen; |
| Die God, die mij volkomen wraak verschaft, |
| En volk op volk mij onderwerpt en straft, |
| Die mij verlost uit mijns vervolgers handen; |
| Die mij verhoogt, mijn vijand slaat in banden. |
| Ja, Gij verhoogt mij boven al 't geweld, |
| Daar G' op den troon van roem en eer mij stelt. |
| 15
| Daarom, o HEER', zal ik U eer bewijzen, |
| Bij 't heidendom Uw Naam eerbiedig prijzen, |
| Met psalmgezang, daar 't hart door wordt geraakt, |
| Hij heeft het heil Zijns Konings groot gemaakt; |
| Hij wil Zijn gunst aan Zijn Gezalfde schenken; |
| Aan David en zijn nakroost eeuwig denken. |