| 1
| 't Behaag' U, HEER', naar mijn gebed, |
| Geschrei en goede zaak te horen! |
| 'k Vermoei met geen bedrog Uw oren; |
| Dat heeft mijn lippen niet besmet. |
| Vergun mij dan mijn klacht t' ontvouwen; |
| Laat voor Uw heilig aangezicht, |
| Mijn recht gesteld zijn in het licht, |
| Uw oog de billijkheid aanschouwen. |
| 2
| Gij toetstet mij bij dag en nacht; |
| Gij vondt mij trouw, in vreugd' of smarte. |
| De mond sprak steeds de taal van 't harte, |
| Door beiden is hun plicht betracht, |
| Wat ook de zondaar aan moog' vangen. |
| Ik heb voor zijn afschuwlijk pad |
| Een haat, een afkeer opgevat; |
| Ik gruw van zijn verkeerde gangen. |
| 3
| Ik zet mijn treden in Uw spoor, |
| Opdat mijn voet niet uit zou glijden. |
| Wil mij voor struikelen bevrijden, |
| En ga mij met Uw heillicht voor. |
| Ik roep U aan, 'k blijf op U wachten, |
| Omdat G', o God, mij altoos redt. |
| Ai, luister dan naar mijn gebed, |
| En neig Uw oren tot mijn klachten. |
| 4
| Maak Uwe weldaan wonderbaar, |
| Gij, die Uw kindren wilt behoeden. |
| Voor 's vijands macht en vreeslijk woeden, |
| En hen beschermt in 't grootst gevaar. |
| Wil mij Uw bijstand niet onttrekken; |
| Uw zorg bewaak' mij van omhoog; |
| Bewaar m' als d' appel van het oog; |
| Wil mij met Uwe vleuglen dekken. |
| 5
| Zo zoeken mij vergeefs, o God, |
| De bozen, die mij fier omringen, |
| Mijn haters, die mij stout bespringen, |
| En juichen om mijn naadrend lot; |
| Zij zijn met vet als overtogen, |
| Hun mond is vol van hovaardij, |
| Hun list en macht omsinglen mij; |
| Zij duiken, loerend met hun ogen. |
| 6
| Geen leeuw is heter op de jacht; |
| Geen jonge leeuw kan, in zijn kuilen, |
| Met meerder list het oog ontschuilen, |
| Dan hij, die mij ter prooi verwacht. |
| Beschaam het aangezicht dier bozen. |
| Uw grimmigheid vell' hen ter neer. |
| Bevrijd mij met Uw zwaard, o HEER', |
| Van 't snood geweld der goddelozen. |
| 7
| Red mij van hen, die 't ruim genot |
| Der wereld voor hun heilgoed achten; |
| Geen deel, dan in dit leven, wachten, |
| En maken van den buik hun god. |
| Van hen, die weelde, schatten, staten, |
| Hoe rijk, hoe uitgebreid, hoe groot; |
| Verliezen moeten met den dood, |
| En hunnen kindren overlaten. |