| 1
| Mijn ziel verheft de Heer, |
| en mijn geest verheugd zich over God, mijn Heiland, |
| Hij toch sloeg zijn oog |
| op de vernedering zijner dienstmaagd; |
| wan zie, van nu aan |
| zullen alle geslachten mij zalig prijzen. |
| Want grote dingen heeft de Almachtige aan mij gedaan. |
| Hij wiens naam heilig is, |
| en wiens erbarmen rust van geslachte tot geslacht |
| op degenen die Hem vrezen. |
| Een machtdaad deed Hij met zijn arm: |
| de hovaardigen van hart heeft Hij verstrooid; |
| heersers heeft Hij van hun troon gestoten |
| en vernederden verhoogd; |
| hongerigen heeft Hij met weldaden vervuld |
| en rijken ledig heengezonden. |
| Hij heeft Israël, zijn knecht, bijgestaan |
| en daarmede gedacht aan zijn barmhartigheid |
| (gelijkerwijs Hij tot onze vaderen heeft gesproken) |
| jegens Abraham en zijn geslacht |
| tot in eeuwigheid. |
| Ere zij de Vader en de Zoon |
| en de Heilige Geest, |
| als in den beginne, nu en immer, |
| en van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen! |
| |
| |
| |
| KERSTFEEST: |