Gezang 28


1   Kom Christenschaar, komt, knielen wij
voor Jezus, onzen Koning!
’t Heelal erkent zijn heerschappij,
al is een stal zijn woning.

2   Zijn grootheid schittert niet door pracht,
Zijn kroon is niet bepereld.
Zijn koninkrijk, zo lang verwacht,
Is niet van deze wereld.

3   O Zoon van God, o eeuwig Woord,
Wiens ogen ’t al regeren,
Wiens stem de ganse schepping hoort,
Dien w’ als den Vader eren!

4   Gij, door uw liefd’ ondenkbaar groot,
Gij schuwt geen smaad, geen lijden,
Geen angst, geen kruis, geen vloek, geen dood,
Zo ’t zondaars kan bevrijden.

5   Gij, die als God de zonde haat,
Wilt U zo diep verzaken,
Dat G’ onbesmet U zelven laat
Voor ons tot zonde maken.

6   Uw liefd’ is groot, is groot als Gij,
Door d’eeuwen nooit volprezen,
Oneindig als uw heerschappij,
Onpeilbaar als uw wezen.

Oude Hervormde Bundel (1938)