Gezang 16


1   O, Bethlehem, hoe blinkt g' in eer
ver boven 's werelds trotse steden!
Gij zaagt der heem'len Hoofd en Heer
als mensenkind te voorschijn treden.

2   De ster, die aan de hemel rees,
verwint de glans der zonnestralen,
en toont, hoe God in mens'lijk vlees
zijn Zoon op aarde neer doet dalen.

3   De wijzen hebben 't Kind aanschouwd
en bien de schat der morgenlanden:
de keur van wierook, mirr' en goud,
als Hem verschuldigd' offeranden.

4   De wierook moet zijn god'lijkheid,
het goud zijn koningsrang vertellen,
de mirre, voor Hem neergeleid,
zal 't Hem verbeidend graf voorspellen.

Oude Hervormde Bundel (1938)