| 1 | Als ik nog jongeling Geachtet zeer gering Bij mijne broeders was, En dagelijks nam waar De schapen hier en daar Gaan weidend in het gras; Terwijl het vee nu at, Ik in de schaduw zat, En loofde God den Heere; Een instrument ik wracht, Daarop ik dan voortbracht Des Allerhoogsten ere. |
| 2 | Maar God almachtig ziet, Mij, die was min dan niet, Verkoos in Zijnen zin. Die niet op 't groot en past, Gaf Zijnen bode last, Tot mij te komen in; Dewelke mij terstond Verklaard' uit Godes mond Den raad bij Hem besloten; En heeft mij daarop ras Met 't heilig olieglas Gezalfd en overgoten. |
| 3 | Van mijne broeders sterk En maakte God geen werk, Maar liet hen allen staan; En slaande niet eens acht Op haren trots en pracht, Noch opgeblazen waan. Ook heeft de Heere goed Den reus vol van hoogmoed Door mij gebracht ter schande; Ja, mij heeft Hij gesteld, Die herder was in 't veld, Tot Koning in den lande. |