Gezang 13

1 Als ik nog jongeling
Geachtet zeer gering
Bij mijne broeders was,
En dagelijks nam waar
De schapen hier en daar
Gaan weidend in het gras;
Terwijl het vee nu at,
Ik in de schaduw zat,
En loofde God den Heere;
Een instrument ik wracht,
Daarop ik dan voortbracht
Des Allerhoogsten ere.
   
2 Maar God almachtig ziet,
Mij, die was min dan niet,
Verkoos in Zijnen zin.
Die niet op 't groot en past,
Gaf Zijnen bode last,
Tot mij te komen in;
Dewelke mij terstond
Verklaard' uit Godes mond
Den raad bij Hem besloten;
En heeft mij daarop ras
Met 't heilig olieglas
Gezalfd en overgoten.
   
3 Van mijne broeders sterk
En maakte God geen werk,
Maar liet hen allen staan;
En slaande niet eens acht
Op haren trots en pracht,
Noch opgeblazen waan.
Ook heeft de Heere goed
Den reus vol van hoogmoed
Door mij gebracht ter schande;
Ja, mij heeft Hij gesteld,
Die herder was in 't veld,
Tot Koning in den lande.