| 1 | Heft op uw hart, opent uw oren, Gij hard volk en traag in 't verstaan; Wilt uwes Gods stemme nu horen, En Zijn geboden gadeslaan. |
| 2 | Ik ben (zeid' Hij) uw God en Heere, Die u hebbe gemaakt gans vrij Van 't juk, 't welk u bezwaarde zere, Hebt geen ander God nevens Mij. |
| 3 | Laat u geen beeld maken noch snijden Van enig ding in 't aardse dal; Zo gij die eert t' enigen tijden, Uwe God zeer jaloers zijn zal. |
4 |
IJdellijk Zijnen Naam geprezen Zult gij niet nemen in den mond; Want hij zal niet onschuldig wezen, Die Dien misbruikt t' eniger stond. |
| 5 | Arbeidt zes dagen, en met lusten, Viert den zevenden, Gods woord smaakt; Want God wild' op dien dag Zelf rusten Van 't werk, dat Hij hadde gemaakt. |
| 6 | Vader en moeder zult gij eren, Opdat gij lang in voorspoed leeft, En op aarde zeer moogt vermeren Die u God tot een herberg geeft. |
| 7 | Doodslag en toorne zult gij mijden, All' onkuisheid vliedt en afbreekt. Steelt niet, al moest gij gebrek lijden; Geen vals getuigenisse spreekt. |
| 8 | Van begeren zult gij u wachten, Des naasten huis en wijf nu voort; Naar zijn knecht of vee wilt niet trachten, Noch naar al wat hem toebehoort. |
| 9 | O God! Uw woord zeer groot van machten, Luidt klaarder dan enig metaal; Geef ons de genaad' en de krachten, Om die te houden altemaal. |