Gezang 1

1 Heft op uw hart, opent uw oren,
Gij hard volk en traag in 't verstaan;
Wilt uwes Gods stemme nu horen,
En Zijn geboden gadeslaan.
   
2 Ik ben (zeid' Hij) uw God en Heere,
Die u hebbe gemaakt gans vrij
Van 't juk, 't welk u bezwaarde zere,
Hebt geen ander God nevens Mij.
   
3 Laat u geen beeld maken noch snijden
Van enig ding in 't aardse dal;
Zo gij die eert t' enigen tijden,
Uwe God zeer jaloers zijn zal.
   

4
IJdellijk Zijnen Naam geprezen
Zult gij niet nemen in den mond;
Want hij zal niet onschuldig wezen,
Die Dien misbruikt t' eniger stond.
   
5 Arbeidt zes dagen, en met lusten,
Viert den zevenden, Gods woord smaakt;
Want God wild' op dien dag Zelf rusten
Van 't werk, dat Hij hadde gemaakt.
   
6 Vader en moeder zult gij eren,
Opdat gij lang in voorspoed leeft,
En op aarde zeer moogt vermeren
Die u God tot een herberg geeft.
   
7 Doodslag en toorne zult gij mijden,
All' onkuisheid vliedt en afbreekt.
Steelt niet, al moest gij gebrek lijden;
Geen vals getuigenisse spreekt.
   
8 Van begeren zult gij u wachten,
Des naasten huis en wijf nu voort;
Naar zijn knecht of vee wilt niet trachten,
Noch naar al wat hem toebehoort.
   
9 O God! Uw woord zeer groot van machten,
Luidt klaarder dan enig metaal;
Geef ons de genaad' en de krachten,
Om die te houden altemaal.