| 8
| Zo wij sterk zijn, daarvan hebt Gij alleen de eer; |
| Vermogen wij ook iets, zulks alles komt, o Heer! |
| Van Uw goedheid, die onz' bescherming is bevonden; |
| Is 't dat wij benauwd zijn nu of t' eniger stonde, |
| Gij, o heilige God Israëls hoog verheven, |
| Zijt onz' Koning, tot Wien wij ons gans'lijk begeven. |
| 9
| Gij hebt voormaals, o Heer, door Uwe goedigheid, |
| Tot Uwen knecht door een openbaring gezeid: |
| Ik heb enen sterken jongeling uitverkoren, |
| Dien wil Ik bijstand doen, dat hij kracht mag oorboren! |
| Ik heb David alleen uit Mijn volk uitgelezen, |
| Hij zal boven all' and'ren Mij getrouwe wezen. |
| 17
| Hij wordt beroofd van hen, die slechts daar gaan voorbij, |
| Zijner naburen spot tot allen tijd is hij. |
| Gij hebt verhoogd en gesterkt alle zijn vijanden, |
| En zijn haters verblijd, die daar zoeken zijn schanden. |
| Gij hebt zijn zwaard gemaakt bot, dat het niet kan snijden; |
| Hij wordt overwonnen van hen, die hem bestrijden. |
| 19
| Denk hoe kort mijn levenstijd zij, Heer, en ontwaak; |
| Zoudt Gij den mens alzo vergeefs hebben gemaakt? |
| Wie is hij, die ontgaat den dood niet om verstrangen? |
| Die ook in 't grafsgeweld hierna niet werd gevangen? |
| Ach! waar mag de genade des ouden tijds wezen, |
| Die Gij David toezeid', naar Uw waarheid geprezen? |