| 2
| Zij hebben, Heer! Uwe knechten verstoten, |
| En 't bloed rondom Jeruzalem vergoten |
| Als water klaar, hetwelk klein is van waarde; |
| Niemand heeft ze dragen willen ter aarde. |
| Wij zijn een spot en smaad |
| Onzen naburen kwaad; |
| Zij schimpen zeer vermeten, |
| En spotten zonder end, |
| Zij, die ons zijn omtrent |
| Met woninge gezeten. |
| 4
| Zij hebben schier Jakobs huis gans vereten, |
| En zijn nakomelingen al verbeten; |
| Zijn woningen ook geworpen ten gronde, |
| Ja gans verwoest, als 't blijkt tot dezer stonde, |
| Wil Heer! gedenken niet |
| De zonden die geschied |
| Voor U zijn in voortijden; |
| Haast U, Heer, kom toch voort, |
| En help ons naar Uw woord |
| Want wij zijn in groot lijden. |
| 6
| Laat tot U komen dat zuchten en klagen |
| Dergenen, die in banden zijn geslagen; |
| Laat die vrij zijn, schenk hun o Heer! dat leven, |
| Die tot den dood geëigend zijn en beven. |
| Onzen naburen fier, |
| In haren schoot wil schier |
| Zevendubbel vergelden, |
| Den smaad ende den blaam, |
| Daarmee zij Uwen Naam |
| Steeds lasteren en schelden. |