| 1
| Ik bid U, help mij, o God goedertier! |
| Want 't water is tot aan mijn ziel geklommen; |
| In den onreinen slijk ben ik gekommen, |
| Daar geen grond is, ik ben verzonken schier. |
| 't Water zeer sterk trekt mij weg met den vloed; |
| Mijn keel werdt hees en zal door 't roepen drogen, |
| Als ik wachte dat mij God bijstand doet, |
| Vergaan is mij dat gezicht mijner ogen. |
| 2
| Ik heb, och arme! (doch zonder mijn schuld) |
| Meer vijanden dan ik heb op 't hoofd haren, |
| Die om mijn schade te zoeken voortvaren. |
| Die worden met kracht en rijkdom vervuld. |
| Alzo moet ik betalen, dat ik niet |
| Hebbe geroofd. Maar Gij bekent, o Heere! |
| Mijn dwaasheid groot; daar beneven Gij ziet |
| Mijn zonden al, die mij mishagen zere. |
| 3
| O Heere! Die door Uwe grote macht, |
| De sterkte der heirkrachten kunt doen beven, |
| Maak, dat zij, die hen U gans overgeven, |
| Door mij niet beschaamd worden noch veracht. |
| O God! hen, die U aanroepen bijstaat, |
| Dat ze niet beschaamd worden door mijn schaden. |
| Om Uwes Naams wil ben ik zo gesmaad. |
| Om Uwentwil ben ik met schand' beladen. |
| 4
| Mijn broeders houden mij als een vreemd man; |
| Als enen onbekende zij mij achten; |
| Omdat Uwes huis liefde mij met krachten |
| Heeft verteerd, en dat ik Uw zaak neem an. |
| De smaad der bozen, waarmee dat Gij, Heer! |
| Zeer wordt versmaad, is over mij gevallen, |
| Ik heb altijd gevast, ja geweend zeer; |
| Doch was ik daarom bespot van hen allen. |
| 5
| Ik heb mij enen zak gegord aan 't lijf; |
| Maar zij hebben daarmee den spot gedreven, |
| Den brassers, die hier zeer hoog zijn verheven, |
| Ben ik daag'lijks een spot en tijdverdrijf, |
| Maar ik bid U, o Heer! gestadiglijk, |
| Laat mijn gebed U wezen aangename; |
| Naar Uwe goedigheid genadiglijk, |
| Sta mij getrouw'lijk bij ter tijd bekwame. |
| 6
| Trek mij uit den slijk, tot mij U begeeft, |
| En laat, o Heer! mij daarin niet verzinken; |
| Help mij van mijn haters, niet laat verdrinken |
| Mij in 't diep water, 't welk geen grond en heeft. |
| Maak dat ik niet versmoor in dezen vloed, |
| Dat de diepten mij niet te grond en trekken; |
| En dat de kuil hem niet open en doet, |
| Om mij te verslinden en te bedekken. |
| 7
| Uwe genaad' is vol troost, o Heer goed! |
| Daarom wil nu mijn begeren verhoren; |
| Wil tegen mij Uwe goedheid oorboren, |
| En toon mij Uw lieflijk aanschijn zeer zoet, |
| Wil Uwen knecht Uw aanschijn bergen niet; |
| Want ik ben vol van angst, niet om doorgronden; |
| Dies haast U Heer! in den nood mij aanziet, |
| Verhoor toch mijn klagen tot dezer stonden. |
| 8
| Maak U op, Heer! in deze tegenheid, |
| Om mijn ziele te behouden in 't leven; |
| Tot spijt mijner vijanden hoog verheven, |
| Help mij uit deez' banden en smadigheid. |
| U is mijn verachtheid zeer wel bekend. |
| Mijn schaamt' en schand', waar ik in ben versteken; |
| Mijner vijanden boosheid zonder end, |
| Is ook voor U openbaarlijk gebleken. |
| 9
| 't Harte mij breekt door dezen smaad onvrij. |
| Ik kwel en ben van ieder man verlaten; |
| Ik wachte (maar vergeefs in aller maten) |
| Of iemand meed'lijden hadde met mij. |
| Want als ik lang op hen hebbe gewacht, |
| 't Is al om niet, genen troost zij mij schinken; |
| Zij spijsden mij met galle dag en nacht, |
| En gaven mij niet dan edik te drinken. |
| 10
| Maak haar tafel en maaltijden niet klein, |
| Hen tot een strik, ja dat ze daarvan sterven; |
| Laat hen altijd dienen tot haar verderven |
| Haar wellusten en haar vreugden onrein, |
| Laat haar ogen alzo verblindet zijn, |
| Dat ze gans niet kunnen zien noch aanschouwen; |
| Breekt hun de lendenen door smart en pijn, |
| Maak dat haar benen onder hen verflauwen. |
| 11
| Stort over hen, Heer! Uwe toornigheid; |
| Omring ze met Uw ongenade krachtig; |
| Dat niemand in haar steden zij woonachtig, |
| Maar woest blijven tot in der eeuwigheid. |
| Want de bozen hebben hen niet geschaamd |
| Hem te kwellen, dien Gij slechts wilt kastijden, |
| Als Gij iemand tuchtigt, zo 't U betaamt, |
| Dien bespotten zij t' zaam met groot verblijden. |
| 12
| Vermenig haar zonden, maak ze beschaamd; |
| Van Uw goedheid laat ze wezen versteken; |
| Haar naam zij uit 't boek des levens gestreken, |
| Laat z' onder de vromen niet zijn genaamd, |
| Maar hoewel ik ellendig ben en krank, |
| Gij zult nochtans mijn troost en toevlucht wezen. |
| Ik zal Uwen Naam loven met gezang, |
| Met dankbaarheid wordt Gij van mij geprezen. |
| 13
| Zulks is den Heer dank'lijker t' aller tijd, |
| Dan ossen die klauwen en hoornen dragen; |
| Dit zullen zien d' ellendigen verslagen, |
| En zullen daarin wezen zeer verblijd. |
| Haar hart zal wederom 't leven ontvaan; |
| Want God verhoort de benauwden en armen; |
| Hij zal Zijn volk ook niet laten vergaan |
| In den put, maar Hem daarover ontfarmen. |
| 14
| Gij hemel en aarde prijst Zijn goedheid, |
| Gij zee en vissen, die in 't water leven; |
| Want God wil Hem tot Sions hulp begeven; |
| Hij zal Juda bouwen in zekerheid. |
| Daar zullen wonen Godes knechten al, |
| Ende haar zaad zal alzulks ook beërven; |
| Een ieder die Gods Naam beminnen zal, |
| Die zal daar een vrije woning verwerven. |
| |
| Terug naar boven |
| |
| |