| 2
| Dezulken zijn niet boos, maar wijs en vroed, |
| Die altijd gaan in Gods wetten en wegen, |
| En zoeken te doen wat recht is en goed. |
| Gij wilt, Heer, dat een ieder zij genegen, |
| Te houden Uwe geboden zeer klaar. |
| Met vurigheid, zo Uw kinderen plegen. |
| 6
| In mijn hart en gemoed, alzo men ziet, |
| Draag ik Uw woord, dat ik niet overtrede, |
| Maar trouw'lijk wandel in Uw woord met vliet. |
| O Heer, Uwen naam moet wezen beleden |
| Van mij, en hoog geprezen bovenal, |
| Leer mij verstaan Uwe rechten en zeden. |
| 9
| Stort Uwe gaven op mij, Uwen knecht, |
| Opdat ik, Heer, eeuwig daardoor mag leven, |
| En onderhouden Uw gebod oprecht. |
| Reinig mijn duister ogen, wil mij geven |
| Een rein gezicht, opdat ik merken kan |
| De wonderen Uwer wet hoog verheven. |
| 10
| Ik ben een gast, en gelijk een vreemd man; |
| Daarom wil mij, Heer, de kennisse schinken |
| Uwes woords, dat ik niet wijke daarvan. |
| Mijn ziel is krachteloos van steeds te dinken, |
| Met groot verlang naar dat rechte verstand |
| Uwer rechten, die schoon ende klaar blinken. |
| 17
| Leer mij Heer, Uwen weg gans ende gaar, |
| Die volmaakt is, bekennen en bewaren, |
| Dat ik dien houde tot den eind eenpaar. |
| Geef mij Uwen Geest, dat ik mag ervaren, |
| Uw woord; ik zal dat houden onderdaan |
| Van harte in 't midden Uwer dienaren. |
| 19
| Wend mijn oog af, maak dat ze niet en ziet |
| IJdel' dingen; wil die kracht in mij werken, |
| Dat ik in Uwe wegen ga met vliet. |
| Bevestig Heer, en wil in mij versterken |
| Uwe beloften; want ik, Heere goed, |
| Hoop op U en vrees U, zo Gij kunt merken. |
| 29
| Gij zijt Heer, mijn erfdeel en al mijn goed; |
| Ik heb voor mij genomen onverdroten |
| Uw woord steeds te bewaren met ootmoed. |
| Dies troost mij nu, wil mij toch niet verstoten, |
| Dat bid ik U, naar Uwe goedigheid, |
| En houd 't woord vast, dat Gij eens hebt besloten. |
| 32
| Bij dien, die Uwe wet hebben gehoord |
| En gehouden, ook vrezen Uwe Name, |
| Houd' ik mij, Heer, altijd met goed akkoord. |
| D' aard' is vol van Gods goedheid zeer bekwame, |
| Die Hij geeft; dies leer mij verstaan Uw woord |
| En onderhouden Uw rechten al t' zame. |
| 34
| Eer dat ik, Heer, van U was gekastijd, |
| Zo dwaald' ik zeer in allerlei omwegen; |
| Maar nu houd ik Uw woord, zijnde verblijd. |
| Gij zijt, o Heer! tot goedheid gans genegen, |
| Een mild Gever Uwer gaven voortaan; |
| Laat Uwe rechten mij niet zijn verzwegen. |
| 36
| Geen meerder goed, Heer, Gij mij geven meugt, |
| Dan dat Gij mij vernedert en maakt kleine; |
| Dat ik leer Uwe wet die mij verheugt, |
| Veel zilver en goud, gelouterd zeer reine, |
| Is niet zo kostlijk, noch goed van deugd, |
| Als Uw woord is en Uwe wet alleine. |
| 40
| Dat zij tot mij komen vroeg ende spaad', |
| Die U, Heer, eren en van harte vruchten, |
| En verstaan Uwe wet en Uwen raad. |
| Laat mijn hart oprecht blijven zonder duchten |
| In Uwe wegen, dat ik met der daad |
| Beschaamd zijnde, niet behoeve te zuchten. |
| 42
| Ik ben geworden, door angst en nood zwaar, |
| Als een blaas in den rook zijnd' opgehangen; |
| Doch ik gedenk aan Uw woord voor en naar, |
| Hoe lang zal ik nog wachten met verlangen, |
| Dat ik zie, dat Gij hun eenmaal doet recht, |
| Die mij vervolgen, en 't hart maken bange? |
| 43
| De mensen kwaad, zoeken mij Uwen knecht |
| Te doen vallen; dies zij mij kuilen graven, |
| Tegen Uwe wet, die klaar is en slecht. |
| Uwe geboden zijn zwaar, doch zij slaven |
| Om mij te verdrukken, Heer, met geweld; |
| Help Heer! wil mij met Uw gunste begaven. |
| 45
| Zo lang, Heer, als de hemel zal bestaan, |
| Zal ook Uw woord, o mijn God, vast beklijven, |
| Hetwelke nimmermeer en zal vergaan, |
| Gelijk d' aard' eeuwiglijk zeer vast moet blijven, |
| Alzo blijft Uwe waarheid, die Gij rein |
| Ende zeer klaar ons hebt laten beschrijven. |
| 46
| Alle ding, dat Gij hebt gemaakt allein, |
| Bestaat nog vastelijk, o Heer almachtig! |
| En is U onderdaan groot ende klein, |
| Ik waar, Heer, in mijn ellenden zeer krachtig, |
| Gans'lijk vergaan, waar 't dat mij steeds Uw woord |
| Niet hadde verheugd en getroost eendrachtig. |
| 47
| Ik wil Uw bevel, dat ik heb gehoord, |
| Niet vergeten; want Gij troost mij daarmede, |
| En vermaakt mijnen geest daarmee nu voort. |
| Ik ben Uwe, bewaar mij toch in vrede; |
| Want Uwe wet, die mij zeer wel bevrijdt, |
| Zoek ik en spreek daarvan tot elker stede. |
| 50
| Ik ben wijzer dan al mijn leraars vroed, |
| Zo wel hebt Gij mij, o Heer, onderwezen. |
| Der wet onderwerp ik mij met ootmoed. |
| Veel wijzer dan de raadsheren geprezen |
| Ben ik, hetwelke daardoor komt, o Heer, |
| Dat ik Uw woord doorzoeken wil en lezen. |
| 51
| Ik beware mijn voeten langs zo meer, |
| Opdat ik niet en ga in boze wegen, |
| Opdat ik onderhoud Uw woord en leer, |
| Van Uwe rechten, Heer, ik niet en plege |
| Af te wijken; want Gij maakt mij die kond, |
| En mij die te leren, zijt Gij genegen. |
| 53
| Uw woord is gelijk een fakkel zeer klaar. |
| En een schoon licht, Heer, aan mijne voetpaden, |
| Om mij den weg recht te wijzen eenpaar. |
| Ik heb beloofd, en wil 't doen onbeladen; |
| Namelijk, houden de rechten vermaard |
| Uwer wet, die ons gans recht kan beraden. |
| 58
| Wijkt van mij, gij bozen groot ende klein, |
| Ik wil mij houden aan Gods wet verheven, |
| Dat ik die doe naar Zijnen wille rein. |
| Onderhoud mij, Heer, dat ik nu mag leven |
| Naar Uw woord; trek mij uit den dood nu meer, |
| Laat mij van mijn hope niet zijn gedreven. |
| 62
| Mijn ogen zijn vermoeid met op te slaan, |
| In 't verwachten des heils mij toegesproken, |
| In Uw woord, 't welk vastelijk zal bestaan, |
| Doe wel Uwen knecht, van geeste gebroken; |
| Leer mij Uwe wet, naar Uw goedheid wijd; |
| In gramschap laat mijn kwaad niet zijn gewroken. |
| 63
| Ik ben Uw knecht, dies Gij, Die mijn Heer zijt, |
| Geef mij den Geest en verstand om te merken |
| De verborgenheid Uwer wet altijd. |
| Het wordt tijd, dat Gij Heer, niet om versterken |
| 't Kwaad straft; daar is geen wet noch trouw voorwaar, |
| Die 't volk hindert alle boosheid te werken. |
| 68
| Laat Uw aanschijn over mij, naar Uw woord, |
| In genade lichten, en wil mij leren |
| Verstaan 't recht, 't welk Gij overal oorboort. |
| Ik schrei altijd, mijn klachten hen vermeren, |
| Zo ieder man dagelijks ziet en hoort, |
| Dat Uw woord niet gehouden wordt in eren. |
| 76
| Maar als ik, Heer, met nood zeer ben gekweld, |
| Wil mij bijstaan, en helpen t' allen stonden; |
| Want 't is enkel waarheid, dat Gij vermeldt. |
| Uw getuig'nissen zijn recht in den gronden |
| Vast gefundeerd, en zo zeker gesteld, |
| Dat ze eeuwig en waar werden bevonden. |
| 77
| Zie aan mijn lijden en mijn groot ellend', |
| En verlos mij, want ik ben steeds gedachtig |
| Uwer wet, daar ik gans toe ben gewend. |
| Voer mijn zaak uit en met Uwe hand krachtig |
| Help mij en wil o Heer! zeer goed bekend, |
| Mij troosten, door Uw waarheid, Heer almachtig. |
| 83
| Zij zullen, Heer, vreed' hebben en stilheid, |
| Die van harten Uw geboden beminnen, |
| En niet struikelen in de tegenheid. |
| Ik verwachte, Heer, dat ik mag gewinnen |
| Uw zaligheid, dies ik in dezen strijd |
| Wil Uw gebod houden ende bezinnen. |
| 87
| Laat mij zien Uwe hand tot dezen stond |
| Uitgestrekt t' mijner hulp, want mij is bange; |
| Doch verkies ik, Heer, 't woord van Uwen mond; |
| Naar Uw heil, Heer, heb ik zeer groot verlangen; |
| Ik en heb ook nergens in lust voorwaar, |
| Dan in 't woord, welks liefde mij heeft bevangen. |
| 88
| Laat mij leven, opdat ik U eenpaar |
| Prijze want Gij geeft mij, Heer, Uwen zegen, |
| Ende zult mij niet verlaten hiernaar. |
| Och Heer, ik heb gedwaald in veel omwegen; |
| Zoek Uwen knecht, ik heb Uw woord niet gaar |
| Vergeten, maar 't hart is daartoe genegen. |
| |
| Terug naar boven |
| |
| |