| 1
| Ik betrouw op God met harte zeer reine; |
| Hoe spreekt Gij tot mijn ziel in dit verdriet: |
| Vliegt haast op den berg, als een vogel kleine? |
| 't Is waar, dat de bozen, zo men wel ziet, |
| Haar bogen spannen en met pijlen mikken, |
| Daarmee elk van hen de vromen doorschiet, |
| En heimelijk zoekt met list te verstrikken. |
| 3
| God proeft de vromen wel in alle wijzen; |
| Maar van hen, die hier bedrijven geweld |
| En onrecht, heeft onze God een afgrijzen; |
| Die zullen ook met vuur wezen gekweld. |
| Haar deel zal zijn veel windige tempeesten; |
| Sulfer en vlamme, die 't alles versmelt, |
| Werd geschonken den minsten en den meesten. |