| 1
| Hoe komt 't dat Gij, Heer, wijkt van ons zo wijd? |
| Ende bedekt Uw aangezicht zo gaar? |
| Verbergt Gij U, om ons tot allen tijd |
| Te vergeten, ook in den nood zo zwaar? |
| In hoogmoed branden de bozen voorwaar, |
| Zij plagen den armen man zeer misprezen; |
| Laat z' in haar listen zelf gevangen wezen. |
| 2
| Want de boze beroemt hem met hoogmoed, |
| Dat hij zal hebben zijnen lust met een. |
| Den gierigen, die daar verzamelt 't goed, |
| Hij zeer prijst, en lastert God in 't gemeen; |
| Stout'lijk veracht hij Hem bij groot en kleen; |
| De hoofdsom is, aller zijner gedachten. |
| Dat God niet is, Dien hij zo durft verachten. |
| 4
| Met vloeken, valsheid en bedrog zeer groot, |
| Is zijnen bozen mond vol t' allen tijd. |
| Zijn tonge maakt moeit', arbeid ende nood, |
| In schaden zwaar te doen hij hem verblijdt. |
| Als een moorder op 't veld loert hij vol nijd, |
| Om heimelijk den vromen te verworgen; |
| Hij bespiedt ook den armen in 't verborgen. |
| 5
| Hij loert heimelijk gelijk een leeuw fel |
| In den kuil doet, die op een schaapken wacht, |
| Om te vangen en te verworgen snel |
| Den vrome, dien hij heeft in 't strik gebracht, |
| Geveinsdelijk houdt hij hem dag en nacht; |
| Maar met dien schijn drukt hij zonder ontfarmen, |
| Ende verderft met groot geweld veel armen. |
| 6
| Bovendien spreekt hij in 't hart zeer onvroed, |
| Dat God op deez' dingen geen achting heeft; |
| Maar dat Hij Zijn ogen gans'lijk toedoet, |
| Ja, dat Hij hiervan geen kennisse heeft. |
| Sta op, Heer! verhef U, toon dat Gij leeft: |
| Zie toch hier in, Heer! en wil niet vergeten |
| Hen, die in angst en ellend' zijn gezeten. |
| 8
| Breek de kracht en den arm vol van geweld |
| Der godd'lozen, ende bezoek zeer haast |
| Haar boosheid, en hen die voor ogen stelt; |
| Opdat ze vergaan en werden verbaasd. |
| Dan zult Gij, Heer! (ofschoon de boze raast) |
| Heersen als Koning, en uit Uwe landen |
| Werden geroeid al de schalken met schanden. |
| 9
| Gij zult, o Heer! horen genadelijk |
| Uwes volks stem, dat in ellend' verflauwt, |
| En versterken met troost gestadelijk. |
| Hoor toch 't gebed des volks dat U vertrouwt; |
| Den weduwen en wezen zeer benauwd, |
| Doe recht, dat de bozen hen niet en kwellen, |
| En daartegen hen nu voort niet meer stellen. |
| |
| Terug naar boven |
| |
| |